Kamerstuk 22181, nr. 149: brief van de minister van Buitenlandse Zaken met een analyse van de besluitvorming over de uitzending naar Srebrenica, 4 maart 1996
Van Rijksoverheid en Tweede Kamer. Hieronder alles wat Heimdall eruit haalt.
Lees de bron zelf (opent in nieuw venster)
Hoe Heimdall dit gebruikt
Elk feit hieronder staat ook op zijn eigen pagina, met deze bron erbij. Waar Heimdall een zin uit de bron citeert, staat die woord voor woord achter "Waar dat staat".
Dat Heimdall een bron gebruikt, zegt niet dat alles erin klopt: lees bij twijfel het origineel.
- Uitgever
- Rijksoverheid en Tweede Kamer
- Wat Heimdall eruit haalt
- 10 feitenWelke, hieronder
Missies 1
United Nations Protection Force (UNPROFOR)
Verloop: mrt 1992
Verloop: aug 1993
Verloop: 15 nov 1993
Verloop: 1994
Verloop: 1994
Verloop: feb 1994
Verloop: apr 1994
Uitkomst: resultaat
Uitkomst: resultaat
Uitkomst: omvang
Waar dat staat
Nederland leverde reeds sinds maart 1992 een actieve bijdrage aan UNPROFOR. Het betrof hier in de eerste aanleg een verbindingseenheid, in november 1992 aangevuld met een transporteenheid.
In augustus 1993 viel het besluit het Nederlandse aanbod voor een logistieke eenheid om te zetten in het aanbod voor een bataljon van de luchtmobiele brigade, die tegen begin 1994 beschikbaar zou komen.
Bij brief van 15 november 1993 deelde de Regering aan de Tweede Kamer mee dat zij «tegen de achtergrond van de dramatische humanitaire situatie in Bosnië-Herzegowina heeft (...) besloten het eerste operationele bataljon van de luchtmobiele brigade, versterkt met ongeveer vijftig pantservoertuigen en een logistieke eenheid, vanaf het begin van 1994 ter beschikking te stellen van de vredesmacht van de Verenigde Naties in voormalig Joegoslavië, Unprofor.
Zo kon op bepaalde tijden, zoals in de zomer van 1994, door Dutchbat als gevolg van brandstofgebrek niet langer gemechaniseerd en gemotoriseerd, doch slechts te voet worden geopereerd.
In het najaar van 1994 wees Nederland de VN er op dat de uitzending van de luchtmobiele brigade naar Srebrenica bedoeld was voor anderhalf jaar en dat tijdig zou moeten worden voorzien in een aflossing medio 1995.
In februari 1994 vertrok het 1170 man sterke luchtmobiele bataljon naar Bosnië-Herzegowina.
Rond Gorazde kwam het in april 1994 zelfs tot daadwerkelijke luchtaanvallen van de NAVO, voor het eerst in de geschiedenis van de verdragsorganisatie. … Onder meer werd – in reactie op de luchtaanvallen in april – een aantal VN-waarnemers, waaronder ook drie Nederlanders, in Bosnisch Servisch gebied door Bosnische Serviërs vastgehouden of op andere wijze in hun bewegingsvrijheid beperkt.
Men rekende er op dat niet zozeer de militaire kracht, maar reeds de aanwezigheid van VN-eenheden afdoende zou zijn om aanvallen op de «safe areas» af te wenden. Deze rekening bleek in laatste instantie echter niet op te gaan.
De substantieel grote Nederlandse bijdrage op de grond heeft overigens niet geleid tot toegenomen invloed op het besluitvormingsproces in internationaal verband.
De Bosnisch-Servische chicanes leidden ook tot een stelselmatige verkleining van de Nederlandse presentie: aanvulling na verlof of aflossing werd bemoeilijkt, hetgeen er toe leidde dat zich uiteindelijk slechts ca. 400 man in de «safe area» Srebrenica bevonden.